Toen voetbalschoenen nog gewoon zwart waren

Er was een tijd waarin je aan de schoenen van een voetballer eigenlijk niet hoefde te vragen welk merk hij droeg. Je hoefde alleen maar naar zijn voeten te kijken.

Zwart leer. Witte veters. Een paar stevige noppen eronder.

Meer was het niet.

En toch kon je als jonge voetballer precies zien welke schoen iemand droeg. De vorm van de zool, de neus, het logo, de manier waarop het leer zich om de voet vouwde. De een liep op een Puma King, de ander zweerde bij een Adidas Copa Mundial en ergens tussendoor zag je de zwarte schoenen van Quick. Ze leken op het eerste gezicht misschien op elkaar, maar voor ons waren het drie verschillende werelden.

Dat had ook te maken met de tijd waarin voetbal nog minder bezig was met uitstraling dan met spelen. Een voetbalschoen hoefde niet op te vallen. Hij moest lekker zitten, tegen een stootje kunnen en vooral doen wat jij wilde wanneer de bal voor je voeten kwam.

De rest was bijzaak.

De schoenen die naar voetbal roken

Wie vroeger zijn eerste serieuze voetbalschoenen mocht uitzoeken, weet misschien nog hoe dat ging.

Je stond in de sportwinkel tussen de dozen en de rekken met shirts, trainingspakken en ballen. De geur van nieuw leer hing ergens tussen de schoenen. Je pakte een paar uit de doos en hield ze even vast. Nog helemaal strak, met dat gladde zwarte leer dat nog geen wedstrijd had meegemaakt.

Thuis werden ze soms bijna met meer aandacht behandeld dan de voetbalschoenen eigenlijk verdienden. Veters eruit, beetje invetten, netjes terug in de doos. En dan wachten tot zaterdag.

Want zwarte voetbalschoenen werden niet zomaar oud. Ze kregen een geschiedenis.

Na een paar trainingen stonden de eerste grasvlekken op de zijkant. Het leer werd soepeler. Rond de tenen kwamen kleine kreukels en op de wreef ontstond precies de vorm van jouw voet. Uiteindelijk waren het geen nieuwe schoenen meer. Het waren jouw schoenen.

Daarin zat misschien wel de grootste aantrekkingskracht van die oude modellen.

Ze veranderden met je mee.

De Puma King

De Puma King had iets bijzonders. Misschien kwam het door de naam, misschien door de spelers die hem droegen. Als je een Puma King aantrok, voelde het alsof je niet zomaar een paar voetbalschoenen aanhad.

De schoen had status.

Dat begon natuurlijk al lang voordat de meeste jongens op zaterdagmiddag hun eerste balletje trapten. De Puma King verscheen in 1966, het jaar waarin Eusébio topscorer werd van het WK in Engeland. Later werd de schoen verbonden aan namen als Pelé, Johan Cruyff, Diego Maradona en Lothar Matthäus.

Maar op het veld van de plaatselijke vereniging dacht je daar niet voortdurend aan.

Daar ging het om hoe de schoen voelde.

Het zachte leer. De relatief eenvoudige vorm. De zool die niet probeerde uit te leggen dat hij revolutionair was. Je trok hem aan en had het gevoel dat je voet gewoon weer een voet was, alleen beschermd door een laag stevig leer.

En misschien was dat precies de charme.

De King zag er niet uit alsof hij sneller wilde zijn dan jij. Hij gaf je gewoon het gevoel dat hij er klaar voor was.

De Copa Mundial

En dan was er de Copa Mundial.

Voor veel voetballers is dat misschien wel dé schoen die je voor je ziet wanneer iemand zegt: oude zwarte voetbalschoenen.

De drie strepen. Het zwarte leer. De witte zool. De eenvoudige uitstraling.

De Copa Mundial verscheen in 1979 en werd ontworpen met het oog op het WK van 1982. adidas bouwde de schoen rond zacht leer, een dempende tussenzool en een zool die stabiliteit moest geven op natuurgras. Het model werd bovendien jarenlang in Duitsland geproduceerd.

Maar vraag een voetballer waarom hij de Copa Mundial mooi vond en je krijgt waarschijnlijk geen technisch antwoord.

Je krijgt iets als: “Hij zat gewoon lekker.”

Dat zegt eigenlijk alles.

De Copa had iets degelijks. Je trok hem aan en wist wat je kreeg. Geen gekke kleuren, geen enorme logo’s, geen ingewikkelde constructie die je eerst moest begrijpen. Alleen leer, veters en noppen.

Op een natte zaterdagmorgen kon zo’n schoen er na afloop behoorlijk gehavend uitzien. Modder op de zijkant, gras tussen de noppen en een paar donkere strepen waar je net iets te enthousiast een sliding had gemaakt.

Thuis ging de tuinslang erop.

Daarna stonden de schoenen bij de verwarming te drogen, hoewel je eigenlijk wist dat dat misschien niet de beste plek was.

De volgende week gingen ze gewoon weer mee.

En dan Quick

Quick wordt in herinneringen aan die periode misschien minder vaak genoemd dan Adidas en Puma. Toch horen de zwarte Quick-schoenen bij hetzelfde voetbalbeeld.

Je zag ze op de velden. Bij spelers die niet per se het nieuwste hoefden te hebben. Bij jongens die vooral een goede schoen wilden waarmee ze een heel seizoen vooruit konden.

Quick had niet dezelfde mythische uitstraling als de King en de Copa Mundial, maar misschien maakte dat het merk juist zo herkenbaar.

Het hoorde bij het gewone voetbal.

Niet iedereen hoefde met de schoen van een wereldster te lopen. Soms was het gewoon de schoen die goed zat, betaalbaar was en waarvan je wist dat hij het seizoen wel zou halen.

En juist daar wordt het interessant.

Want als je jaren later terugdenkt aan voetbal, herinner je je niet alleen de grote namen. Je herinnert je ook de kleine dingen die bij een zaterdag hoorden.

De sporttas die nog in de gang stond. De modder op de sokken. Het geluid van noppen op de tegels. De geur van gras in de kleedkamer. De vader die langs de lijn stond. De kantine na afloop.

En ergens tussen die herinneringen staan die zwarte schoenen.

Geen schoenen om gezien te worden

Misschien is dat wel het grootste verschil met nu.

Tegenwoordig kan een voetbalschoen bijna alles zijn. Felgroen, roze, oranje, goud, wit, met opvallende patronen en technologieën waarvan de namen langer zijn dan de schoen zelf.

Vroeger was het veel rustiger aan de voeten.

Dat betekent niet dat voetballers er niet mee bezig waren. Integendeel.

Je wist precies welke schoen je wilde. Je keek naar de profs op televisie. Je lette op wat je favoriete speler droeg. Je keek bij een medespeler naar zijn nieuwe schoenen. En als iemand op maandag ineens met een nieuw paar op training verscheen, zag iedereen het.

Alleen hoefde een voetbalschoen toen niet te schreeuwen om aandacht.

Een Puma King was een Puma King.

Een Copa Mundial was een Copa Mundial.

En een paar zwarte Quick kon voor de eigenaar minstens zo belangrijk zijn.

Het mooie van oud voetbal

Misschien komt het daarom dat die schoenen nog steeds zoveel oproepen.

Niet omdat vroeger alles beter was. Dat was het natuurlijk niet. De moderne voetbalschoen is lichter, technisch verder ontwikkeld en op veel punten beter afgestemd op wat een voetballer nodig heeft.

Maar vroeger hadden voetbalschoenen iets tastbaars.

Je voelde het leer veranderen. Je zag de kreukels ontstaan. Je wist wanneer een zool begon te slijten. En als een paar uiteindelijk echt op was, deed je het niet zonder nadenken weg.

Daar had je wedstrijden in gespeeld.

Wedstrijden die je gewonnen had, wedstrijden die je verloren had en wedstrijden waarvan je je jaren later nauwelijks nog iets van de uitslag kunt herinneren.

Maar je weet nog wel hoe het gras rook.

Je weet nog hoe je vlak voor de aftrap je veters aantrok en nog even wat leer vet op je schoenen smeerde.

En je nog precies weet hoe die zwarte schoenen eruitzagen.

De Puma King, de Adidas Copa Mundial en de zwarte Patrick waren uiteindelijk meer dan voetbalschoenen. Ze waren onderdeel van een voetbalcultuur waarin het spel zelf centraal stond. Waar een paar goede schoenen geen modeartikel hoefde te zijn, maar gereedschap voor negentig minuten voetbal.

Zwart leer, witte veters, gras aan de zool.

Meer had je eigenlijk niet nodig.