Jaren ’70 en ’80: toen voetbal overal was

Stel je een regenachtige zaterdagochtend voor ergens in de jaren ’70 of ’80. Je bent een jonge voetballer en eigenlijk weet je niet eens zeker of je die middag wel mag voetballen. Tegenwoordig zou je even op je telefoon kijken of de trainer een bericht heeft gestuurd, maar die luxe bestaat nog niet. Dus trek je je jas aan, stap je op de fiets en rijd je naar de sigarenboer op de hoek van de straat. Daar wordt vaak als eerste duidelijk of de velden zijn afgekeurd. Soms hangt er een briefje op de deur met de mededeling dat alle wedstrijden zijn afgelast. Maar als dat briefje er niet hangt, dan moet je even de lijst aflopen om te kijken of jou wedstrijd door gaat.

Je fietst weer naar huis, haalt je voetbaltas op en stapt opnieuw op de fiets. Door de regen, tegen de wind in, met je voetbalschoenen ergens onderin de tas. Misschien kom je onderweg een paar teamgenoten tegen en wordt er alvast besproken wie er die middag gaat winnen. Je denkt niet aan het weer. Je denkt aan de wedstrijd. Je denkt aan je tegenstander, aan je eigen positie en misschien vooral aan het doelpunt dat je hoopt te maken.

Dat was voetbal.

Niet iets waarvoor je een scherm hoefde aan te zetten, maar iets wat gewoon onderdeel was van je week.

Zaterdag was voetbal

Voor veel kinderen begon de voetbalweek eigenlijk al op vrijdagavond. Je wist hoe laat je zaterdag bij de club moest zijn en je voetbalspullen lagen klaar. Een trainingspak, voetbalschoenen, misschien een paar scheenbeschermers en een tas die waarschijnlijk al betere dagen had gekend.

De zaterdag zelf draaide om voetbal. Eerst je eigen wedstrijd en daarna misschien nog even blijven hangen bij het eerste elftal. Je kende de spelers van de club. Niet omdat je ze dagelijks op sociale media voorbij zag komen, maar omdat je ze op zaterdagmiddag op het veld zag lopen.

Het betaalde voetbal speelde zich ondertussen af in een wereld die veel kleiner leek dan nu. De Nederlandse clubs waren voor jonge voetballers enorme namen. Ajax, Feyenoord en PSV waren natuurlijk bekend bij iedereen, maar ook clubs als FC Twente, AZ, FC Utrecht, Sparta, FC Groningen, NAC en FC Den Haag hadden hun eigen aanhang en hun eigen helden.

Als je favoriete club speelde, wilde je erbij zijn. En als dat niet kon, zat je thuis voor de televisie.

De spelers kwamen je woonkamer binnen

Dat is misschien wel een van de grootste verschillen met tegenwoordig. Voetballers waren zichtbaar, maar niet voortdurend aanwezig.

Je zag ze tijdens de wedstrijd en misschien later in de krant of in een voetbalblad. Daardoor kregen spelers iets bijzonders. Ze waren echte helden, juist omdat je niet alles van ze wist.

Je kende hun manier van voetballen, hun kapsel, hun manier van juichen en misschien hun favoriete truc. Je wist wie een geweldige vrije trap had of wie altijd op het juiste moment voor het doel verscheen. Maar wat een speler die avond thuis at of waar hij op vakantie was, daar had je geen idee van.

En dat maakte ruimte voor fantasie.

Als je zelf op het veld stond, probeerde je te spelen zoals je favoriete speler. Misschien wilde je dezelfde beweging maken, dezelfde vrije trap nemen of op dezelfde manier juichen wanneer je scoorde. Op straat was je geen jongen uit de buurt. Je was even jouw favoriete voetballer.

De slaapkamer werd een voetbalmuseum

Voor veel jongens hield het voetbal niet op wanneer de wedstrijd voorbij was. Het ging gewoon mee naar huis.

De muren van je slaapkamer waren het bewijs.

Posters van voetballers hingen boven je bed en soms stonden er meerdere naast elkaar. Misschien had je een poster van je favoriete club en daarnaast een foto van een speler die je geweldig vond. Het maakte eigenlijk niet uit of de poster een beetje scheef hing. Het belangrijkste was dat jouw held aan de muur hing.

En dan waren er de voetbalbladen.

Wie het blad Voetbal International, Elf Voetbal, de 1-0 en Goal kende, weet precies wat ik bedoel. Je bladerde er niet even snel doorheen. Je las het blad, bekeek de foto’s en knipte misschien een paar afbeeldingen uit. Die kwamen vervolgens in je schoolagenda terecht. De agenda was daardoor allang niet meer alleen bedoeld voor je huiswerk en je lesrooster. Tussen de wiskundesommen en de afspraken stonden foto’s van voetballers, clublogo’s en uitslagen.

Een mooie foto van je favoriete speler was bijna een klein bezit.

En als een vriend een foto had die jij nog niet had, kon er geruild worden.

Niet online, maar gewoon op het schoolplein.

De straat werd ons voetbalveld

Toch was het mooiste voetbal misschien wel het voetbal dat nergens georganiseerd was.

Je hoefde geen kunstgrasveld te reserveren en er was niemand die bepaalde wanneer je mocht spelen. Een lege muur was voldoende. Met een stukje krijt tekende je een doel op de muur en daaronder schreef je de naam van je favoriete club.

Ajax, Feyenoord, PSV of FC Den Haag of welke club er op dat moment in jouw hoofd zat.

Daarna begon de wedstrijd.

De stoep werd het veld en de straat werd het stadion. Met een paar vrienden kon je uren spelen. Soms waren de teams eerlijk verdeeld, soms absoluut niet. De beste voetballer uit de groep bepaalde meestal wie er gekozen werd en wie er als laatste overbleef, kon daar weinig tegen doen.

Maar zodra de bal rolde, vergat iedereen dat.

Er werd geschreeuwd, gelachen en ruzie gemaakt over doelpunten die wel of niet hadden gezeten. De bal ging tegen de muur, over de stoep en soms per ongeluk richting een boze buurman.

En natuurlijk moest er altijd nog één wedstrijd worden gespeeld.

Ook als het eigenlijk al donker begon te worden.

De club zat zelfs op de auto

Je favoriete club was in die tijd niet alleen iets wat je op zaterdag zag. Je droeg je club overal met je mee.

Op de auto van je vader zat bijvoorbeeld een sticker van de club. Een klein clublogo op de achterruit was genoeg om iedereen te laten weten waar jullie voetbalhart lag.

Je zag onderweg andere auto’s met stickers en wist meteen: daar zit ook een supporter.

Het waren kleine dingen, maar ze maakten voetbal zichtbaar in het dagelijks leven. Je hoefde niemand te vertellen voor welke club je was. De sticker vertelde het voor je.

Geen internet, maar wel wachten

Achteraf is het misschien moeilijk voor te stellen hoeveel we tegenwoordig weten over voetbal.

We weten meteen wie er geblesseerd is, welke speler misschien gaat vertrekken, wat de trainer heeft gezegd en wat er op de training is gebeurd. In de jaren ’70 en ’80 moest je wachten.

Je wachtte op de krant.

Je wachtte op het voetbalblad.

Je wachtte op de wedstrijd op televisie.

En juist dat wachten maakte het soms spannender.

Je wist niet alles.

Je kon niet iedere actie nog tien keer terugkijken. Als je een geweldige goal had gezien, moest je het vooral onthouden. Misschien besprak je hem maandag op school met je vrienden en probeerde je uit te leggen hoe mooi hij was.

Daarna ging je naar buiten en probeerde je hem na te doen.

Voetbal was een eigen wereld

Misschien is dat uiteindelijk wat die periode zo bijzonder maakt.

Voetbal had zijn eigen wereld, maar die wereld zat niet achter een scherm. Hij zat in de straat, op het voetbalveld, in je schoolagenda, aan de muur van je slaapkamer en op de achterruit van de auto.

Je favoriete club ging overal met je mee.

Op zaterdag naar de wedstrijd, op zondag naar de televisie en doordeweeks naar het pleintje om de hoek.

En als je niet aan het voetballen was, was je er waarschijnlijk wel over aan het praten.

Wie had er gewonnen?

Wie stond er bovenaan?

Wie was de beste speler?

En natuurlijk: welke club zou er dat jaar kampioen worden?

En dan kwam de maandag

Op maandag ging je weer naar school.

Je agenda zat vol voetbalplaatjes en misschien had je die ochtend nog snel een foto uitgeknipt om erbij te plakken. Met je vrienden werd de wedstrijd van het weekend uitgebreid besproken. De één was nog steeds overtuigd dat zijn club kampioen zou worden, terwijl de ander alweer bezig was met de volgende wedstrijd.

En na school?

Dan ging je weer naar buiten.

Misschien stond de tekening van het doel nog op de muur. Misschien was hij door de regen half verdwenen. Dan tekende je hem gewoon opnieuw.

De bal kwam tevoorschijn en de wedstrijd begon opnieuw.

Want morgen kon je favoriete club misschien wel winnen.

En misschien was jij vandaag wel de ster.

Was voetbal toen beter?

Dat is moeilijk te zeggen.

Het voetbal van tegenwoordig is sneller, professioneler en technisch waarschijnlijk beter georganiseerd. De velden zijn beter, de materialen zijn beter en we kunnen iedere wedstrijd vanuit alle mogelijke hoeken bekijken.

Maar voetbal was toen misschien wel dichterbij.

Je hoefde er niets voor te regelen. Je hoefde alleen maar naar buiten te gaan.

Een bal was genoeg.

Een paar vrienden waren genoeg.

Een muur met een zelfgetekend doel was genoeg.

En een club waar je helemaal gek van was, maakte het verhaal compleet.

Even terug naar die zaterdag

Misschien is dat waarom een oude voetbalposter, een vergeelde foto uit Goal of een oude clubsticker zoveel kan oproepen.

Je ziet zo’n foto en ineens ben je weer dat jongetje dat op een regenachtige zaterdag naar de sigarenboer fietst om te kijken of de wedstrijd doorgaat.

Je voelt de kou weer, ziet je voetbaltas voor je en weet nog precies hoe belangrijk die wedstrijd die middag was.

Je ziet de muur op de hoek van de straat waarop je met krijt het doel van je favoriete club had getekend. Je hoort je vrienden roepen dat het een doelpunt was en iemand anders natuurlijk beweert dat de bal naast ging.

En ergens staat de auto van je vader.

Met die clubsticker op de achterruit.

Het is allemaal voorbij.

De sigarenboer is misschien al jaren verdwenen. De muur heeft een andere bestemming gekregen en de spelers waar je vroeger tegenop keek zijn inmiddels voetbalgeschiedenis.

Maar het gevoel is gebleven.

Want voor een generatie voetballiefhebbers was voetbal niet alleen iets wat je keek.

Je leefde het.

Op de fiets naar de club.

Op zondag voor de televisie.

Met een voetbalblad op tafel.

Met je favoriete speler boven je bed.

En iedere dag na school met je vrienden op straat.

Een bal, een muur en een droom.

Meer had je eigenlijk niet nodig.

Remember the Classics.